Financieel overzicht
Toelichting afwijkingen en mutaties
1.1 Jeugdzorg
Het huidige bestedingspercentage (besteding ten opzichte van de begroting) valt nog binnen de marges. Uit de maandelijkse rapportages blijkt echter dat voor 2026 een geprognosticeerd tekort van € 751.000 ontstaat. Onder Ontwikkelingen is dit verder toegelicht.
1.2 Huisvesting Onderwijs
De budgetten voor onderwijshuisvesting ontwikkelen zich conform de begroting.
Voor de Piet de Springerschool in Langbroek wordt gewerkt aan een structurele oplossing voor het huisvestingsvraagstuk. Hiervoor is op termijn een investering noodzakelijk. De voorbereiding is gestart, maar het exacte tijdpad en de omvang van de benodigde investering zijn op dit moment nog niet definitief vastgesteld. Naar verwachting ontstaat hierover eind 2026 meer duidelijkheid.
De investering heeft naar verwachting geen gevolgen voor de huidige begroting 2026. Zodra de definitieve oplossing is gerealiseerd, moet wel rekening worden gehouden met de bijbehorende kapitaallasten voor afschrijving en rente. Deze worden naar verwachting in de periode 2027-2030 in de begroting opgenomen.
1.3 Leerplicht
Leerlingenvervoer
Een groot deel van het budget is al besteed. Op dit moment is nog onzeker of hierdoor een overschrijding ontstaat of dat een deel van het budget, net als in 2025, kan worden gefinancierd uit de SPUK Onderwijsachterstand.
Voor- en vroegschoolse educatie
Binnen het budget voor leerplicht is de Specifieke Uitkering (SPUK) voor- en vroegschoolse educatie opgenomen. Deze middelen zijn al van het Rijk ontvangen en zijn bestemd voor kosten over meerdere jaren.
1.4 Kind- en Jeugdvoorzieningen
In de begroting 2024-2027 was een bezuinigingsmaatregel opgenomen om het budget voor kinderopvang en peuterspeelzaalwerk geleidelijk af te bouwen. In de tabel lijkt er sprake te zijn van een overschrijding, echter dit dient administratief nog te worden aangepast. In werkelijkheid is er geen sprake van een overschrijding.
Ontwikkelingen
In 2025 bedroeg het uiteindelijke tekort op de jeugdzorg circa € 750.000. Dit is een structureel tekort. Om het jeugdzorgbudget in lijn te brengen met de gerealiseerde kosten van 2025 en de prognose voor 2026 op basis van de maandrapportages, is een verhoging van € 751.000 nodig. Dit bedrag is gelijk aan de bezuinigingsmaatregel uit 2025, die niet haalbaar is gebleken. Daarbij geldt dat de uiteindelijke kosten kunnen afwijken van de prognose, omdat enkele kostbare casussen grote invloed kunnen hebben op het totaal.
Bij de jaarrekening 2025 is aangegeven dat de groei van het totale aantal cliënten in de jaren tot en met 2025 voor het eerst was omgebogen naar een bescheiden daling. Binnen het totaal steeg echter het aantal cliënten met jeugdhulp GGZ, waarbij de kosten per cliënt hoger liggen. Deze stijging in cliëntenaantallen en daarmee in de uitgaven aan jeugdhulp GGZ zet in de eerste helft van 2026 niet door.
De kosten per cliënt dalen in de eerste helft van 2026 vooralsnog niet, maar lijken zich te stabiliseren. Tegelijkertijd neemt de intensiteit van de jeugdhulp nog steeds toe, met zwaardere vormen van hulp en langere trajecten.
Er heeft een verschuiving plaatsgevonden van hoogspecialistische verblijfshulp naar ambulante hulp. Deze ontwikkeling is wenselijk. Tegelijkertijd willen wij een verdere afschaling realiseren van ambulante hulp naar bijvoorbeeld groepsaanbod en/of welzijnsvoorzieningen.
Zoals eerder aangegeven gaat het bij hoogspecialistische vormen van jeugdhulp, zoals landelijk ingekochte zorg, jeugdhulp met verblijf en crisishulp, om een klein aantal cliënten met hoge kosten. Hierdoor kunnen de kosten per jaar sterk fluctueren. De regie op deze vormen van jeugdhulp ligt bij andere partijen, waardoor onze invloed beperkt is. Deze zorgvormen hebben daardoor een grote invloed op de gemiddelde kosten van jeugdhulp.
Wij zetten de ingezette inhoudelijke aanpak voort langs twee sporen. Voor de langere termijn richten wij ons op een duurzame transformatie, waarbij de Maatschappelijke agenda (MAG) leidend is en de versterking van de sociale basis centraal staat. Voor de korte termijn sturen wij bij op het operationele en logistieke proces door budgetten en cliëntenaantallen te monitoren en gericht te sturen op bijzondere casussen. Daarnaast voeren wij gesprekken met Binding en aanbieders om de doorstroom en uitstroom van cliënten te bevorderen en de inzet waar mogelijk te verleggen van (boven)regionale naar lokale aanbieders.
Ambulante jeugdhulp/ambulant GGZ
Binnen deze vormen van hulp (begeleiding, behandeling, ambulant regionaal en ambulant GGZ) zien wij per saldo een toename van de kosten, terwijl de aantallen en uren niet in dezelfde mate toenemen.
In de tweede helft van het jaar sturen wij samen met Binding op de ontwikkeling van groepsaanbod door lokale aanbieders en op mogelijkheden om zorg af te schalen naar welzijnsaanbod, zoals het jongerenwerk. In sommige situaties kan een beperkt aantal gesprekken bij een lokale aanbieder voldoende zijn om ouders en jeugdigen verder te helpen.
Een vrijgevestigde praktijk is gewijzigd in een instelling, waardoor de betreffende aanbieder een hoger tarief kan rekenen. Dit hangt samen met strengere wet- en regelgeving en aanvullende administratieve verplichtingen. Contractueel zijn wij verplicht dit tarief te betalen. De extra kosten worden geraamd op € 200.000 per jaar en kunnen worden opgevangen binnen de verhoging van het budget met € 751.000.
Landelijke hulp/LTA/crisishulp
Na een daling van het aantal cliënten met deze vormen van hulp in 2025, zien wij in de eerste helft van 2026 weer een toename. Door de relatief hoge kosten per cliënt drukt dit zwaar op het budget.
Verblijf
Voor een beperkt aantal jeugdigen maken wij extra kosten voor bijzondere verblijfsituaties. Het gaat onder meer om jongeren die in een jeugdhulpinstelling of gezinshuis verblijven. Vaak betreft het langdurige ondertoezichtstellingen met een door de rechter opgelegd hulptraject. Het aantal jeugdigen met verblijf lijkt vooralsnog niet te veranderen.